DOWN EN UP

.

Oeps, ik constateer net dat het al drie weken en een dag geleden is, sinds ik mijn laatste stukje schreef. Best wel lang eigenlijk, maar eerlijk gezegd, mijn hoofd stond er ook niet naar. Dat dwarsliggen van mijn lijf hakt er toch wel behoorlijk in. Niet verder vertellen, hoor, maar ik was redelijk nerveus voor al die onderzoeken. En dan dat wachten op de uitslagen. Pffff, dat gaat je niet in je kouwe kleren zitten. Ook niet in je warme kleren trouwens. Helemaal niet in kleren zelfs. Het nestelt zich in je kop en blijft daar zitten. Kijk, kouwe of warme kleren kun je gewoon uittrekken en naast je neer leggen, dan ben je alles wat daarin zit meteen kwijt. Dat wat zich eenmaal in je kop heeft genesteld krijg je er niet zo snel weer uit.

De afgelopen weken heb ik meer bezoekjes aan het ziekenhuis gebracht, dan in de voorgaande jaren samen. En ik ben er nog niet, want ik mag ook nog naar de orthopeed. Was een ideetje van de neuroloog. Op de scan van de onderrug was namelijk wel een uitstulping te zien die klachten zou kunnen geven, maar niet de klachten die ik heb. Ik had natuurlijk kunnen zeggen dat bij mij altijd alles anders gaat dan zou moeten, maar daar schiet ik ook niets mee op. De orthopeed dus, volgende week donderdag. Ik mag me wel goed voorbereiden op het leren zeggen van het woordje “nee”, want ik heb begrepen dat die graag snijdt en dat zie ik dus echt niet zitten. Nee. Dus.

Ik realiseer me opeens dat ik helemaal ben vergeten te vragen naar de uitslag van de hersenscan. Zal wel niets bijzonders zijn geweest anders had ze het wel gemeld, toch? Of ze is zo geschrokken van wat ze daar zag, dat ze het niet durfde zeggen. Kan ook natuurlijk. De uitslagen van de cardioloog krijg ik pas de 28ste, dus dat wordt nog elf dagen zweten en niks weten. Alleen voelen. Angst en optimisme leveren dagelijks strijd. Optimisme wint vaak, tot ik weer eens probeer om een stukje te lopen. Dan slaat de angst weer toe. Het onvermogen om mijn been vooruit te krijgen moet toch ergens vandaan komen.

Hoewel hij liever niet heeft dat ik over hem schrijf, ga ik het hier toch zeggen. Ik wil namelijk ook iets leuks te vertellen hebben. Mijn zoon is zwanger. Althans, zijn vrouw draagt de baby, maar samen zijn ze zwanger. Afgelopen zaterdag mochten echtgenoot en ik mee voor het maken van een “pretecho”. Wauw, wat was dat een schitterende ervaring. De baby keek ons recht aan en ik zweer het, (ik ga nog niet verklappen wat het is) het lachte naar ons. Dat was zo bijzonder. Het is zo te zien een kind met alles derop en deran, zoals dat heet. Super!

Gelukkig komt er na elke down weer een up. Zoals het nou eenmaal gaat in het leven.

PROGRAMMA

.

Heel naïef dacht ik, dat met een bezoekje aan de neuroloog de oplossing pasklaar voor handen zou zijn. Zij zou me vertellen dit en dat is er aan de hand en zus en zo gaan we er aan doen. Maar nee

Ze deed hetzelfde met me wat de huisarts al had gedaan met hetzelfde resultaat. Ze vermoedt dat er een zenuw in mijn onderrug beklemd zit. Ze wilde ook nog overleggen met de cardioloog. De cardioloog? Wat heeft die er nou mee te maken? Dat heeft dus te maken met het flauw vallen, ze belt hem meteen op en, oh joy, de beste man wil me wel even zien. Verrassing, ik mag meteen de volgende dag komen. De neuroloog wil ook een hersenscan en een scan van de onderrug voor me aanvragen, maar dan moet ik wel eerst weer bloed laten prikken om te zien of mijn nierfunctie goed is. Welja, toe maar. Ik zie mezelf al wekenlang van hot naar haar rennen in het zieken huis, want wachtlijsten en zo. Maar….ik ben een echte bofkont. De wachtlijsten zijn in de prullenbak gegooid.

De hersenscan heb ik vanochtend gehad, was niet echt prettig, want dat apparaat maakt een ongelooflijke herrie. Ik zou eigenlijk een klacht wegens geluidsoverlast in moeten dienen. Ik vraag me trouwens af wat ze daar verwachten te zien. Het enige wat ze waarschijnlijk kunnen vinden, is een bordje met de tekst: lichtelijk gestoord. Maar ja, dat ben ik al zesenzestig jaar en ik kan je vertellen dat daar best heel goed mee valt te leven. Morgen mag ik weer terug voor de scan van de onderrug. Dat mocht niet op dezelfde dag, want dan lig ik te lang in dat apparaat. Die zaken zijn dus redelijk snel afgehandeld. Helaas moet ik voor die scans naar een andere stad, zo’n veertig km verderop. Oké, dat kan er ook nog wel bij.

Dinsdag was ik dus bij de cardioloog en die man heeft weer een heel eigen agenda. Voor ik bij hem terecht kon, werd er eerst een hartfilmpje gemaakt. Nou, dat was een zeer korte filmcarrière voor me, want het duurde amper een minuut. Het resultaat mocht ik aan de dokter overhandigen. Ik vond dat het er prachtig regelmatig uitzag en dat was hij helemaal met me eens. Maar daarmee zijn we er nog niet. Weet je wat ook een goed idee is? Vierentwintig uur lang een kastje bij je dragen waarop het hart in de gaten gehouden wordt. Oh ja, en dan wil hij ook nog een echo van mijn hart. Helaas moet ik daar dan twee weken op wachten, maar een mens kan tenslotte niet alles hebben.

Op 8 april mag ik terug naar de neuroloog. Op 9 april krijg ik dat kastje, dat mag ik de volgende dag inleveren waarna er meteen een echo wordt gemaakt. Op 28 april mag ik dan weer terug komen bij de cardioloog. Ik heb in ieder geval nog een aardig programma om naar uit te kijken. Ondertussen is er wat het lopen betreft niet veel veranderd.

Ik denk dat ik tussendoor maar een week hutje inplan. Lekker rustig in het zonnetje zitten en genieten van alle vogeltjes en mooie uitlopende plantjes en bomen.

KLAP MET DE HAMER

.

Zo’n anderhalve week geleden loop ik met echtgenoot van ons hutje naar de receptie van het park. Tenminste, dat was het plan. Het is slechts drie à vierhonderd meter. Moet te doen zijn, zou je denken. Dat viel een beetje tegen. Al na vijftig meter moest ik de eerste stop inlassen, steeds sneller gevolgd door volgende stops. De rechterkant van mijn lijf, vanaf mijn heup tot mijn enkels wilde niet meer. Voor elke stap moest ik vechten. Ik ben er gekomen, maar was dood en dood moe. En toen moesten we ook weer terug. Op nog geen vijftig meter afstand van de receptie kon ik niet meer. Ik werd overvallen door een golf van misselijkheid en een gevoel van totale uitputting. Kortom, het heeft heel lang geduurd voor we weer in ons hutje waren. De rest van de dag heb ik me beroerd gevoeld.

Afgelopen maandagavond zat ik aan mijn bureau een spelletje Ruzzle te spelen. Echtgenoot stond naast me en keek mee. Halverwege viel ik flauw. Het volgende wat ik weet, is dat echtgenoot me vasthoudt en vraagt of hij een dokter moet bellen. Kom op zeg, ik ben alleen maar flauw gevallen. Maar hé, wacht eens even. Ik val nooit flauw. In mijn hele leven is het misschien maar drie keer voorgekomen en dat is dan inclusief maandag. Hoe meer ik er over nadenk, hoe banger ik word. Hoe komt het dat ik opeens niet meer kan lopen en hoe kan ik zomaar ineens, vanuit het niets flauw vallen?

Dinsdag belt de diabetesconsulente om te informeren hoe het is gegaan met de kortere naaldjes. Ik geef een verslag en vertel meteen wat er die maandag en de week ervoor is gebeurd. Ik vertel dat het me angstig maakt en dat ik eigenlijk een afspraak wil maken bij mijn eigen huisarts. Ze kijkt onmiddellijk in de computer en zet mijn naam bij half elf op vrijdag. Geweldig bedankt, nu hoef ik zelf niet te smeken bij de assistente of ik alsjeblieft een afspraak kan krijgen.

Woensdag zijn we naar huis gegaan. Ook dat klinkt zo veel sneller dan het ging. Het heen en weer lopen, opruimen en inpakken putte me wederom volledig uit. Ik werd er niet bepaald vrolijker van.

Vrijdag dus naar de dokter. Ik heb precies verteld wat er gebeurde en echtgenoot vulde aan waar nodig. Ze heeft me helemaal nagekeken en uiteraard kwam daar ook het reflexhamertje bij kijken. Ze timmerde er lustig op los bij mijn knieën, enkels, hielen en ellebogen. Oeps, ik heb geen reflexen. Die klap met de hamer doet me niks. Nergens. Ik moet wat oefeningetjes doen en kom er achter, dat ik niet op één been kan staan. Ik heb in mijn jeugd aan turnen gedaan en beheerste bijna alle onderdelen, behalve de evenwichtsbalk, daar viel ik consequent iedere keer vanaf. Dat zeg ik dus maar even en dat wordt meteen genoteerd. De uitslag van het onderzoek, dat een half uur heeft geduurd, (wat toch wel knap is in een tienminutengesprek) is niet bevredigend. De huisarts zegt eerlijk dat ze het niet weet en vraagt of er Parkinson in de familie voorkomt. Ik heb geen flauw idee. Ze stuurt me door naar een neuroloog, want ze vertrouwt het niet. A.s. maandag om twaalf uur kan ik daar al terecht en oh, ik hoop zo dat die me kan helpen. Want, wat heb je aan een hutje op de hei als je er niet eens heerlijk kunt wandelen?

.

KOFFERTJE

.
Wat hebben we toch een mazzel met dit mooie voorjaar. Mens en dier genieten met volle teugen. Hier in ons hutje is het echt heel mooi, de plantjes lopen al helemaal uit en de vogels zijn al druk bezig met sjansen. Hopelijk blijven ze een beetje in de buurt met hun nest zodat we ook het kleine spul kunnen zien opgroeien. Vanochtend cirkelden er drie schreeuwende roofvogels boven ons hoofd, ook zij verheugen zich op een heleboel jonge vogels. Dat betekent voor hen dat er voldoende voedsel is om hun eigen jongen groot te brengen. Zo zit de natuur nou eenmaal in elkaar. We zien wel hoe het loopt.

Afgelopen maandag kwamen mijn jongste zus en haar man op bezoek. Ze hadden een koffertje bij zich. Het koffertje was van mijn broer. Zus wilde graag samen met mij uitzoeken wat er allemaal inzat. De mannen vertrokken na de lunch naar Drachten, op zoek naar een zwarte ibis. Zus en ik zaten samen in de zon, het koffertje voor ons op tafel.

“Zullen we dan maar?” stelde ik voor. Zus knikte. Ik klikte het koffertje open.

Het eerste wat ik zag, was een stapeltje foto’s. Bovenop lag een foto van een heel jonge vrouw met een baby op haar arm. Mijn moeder met haar eerstgeborene, mijn broer. Ze was best een mooie vrouw, mijn moeder. Ik heb haar nooit gezien als een vrouw, ze was gewoon mijn moeder en zoals zij er uit zag was het goed. Zo hoorde mijn moeder er uit te zien. Voor een kind is het sowieso niet belangrijk hoe zijn/haar moeder eruit ziet. Nu, met deze foto in mijn hand, kon ik met andere ogen kijken. Ze was echt een mooie vrouw.

Er zat natuurlijk nog veel meer in dat koffertje, o.a. heel veel medailles van door hem gelopen wandeltochten. Hij was langeafstand wandelaar en bovendien bestuurslid van de wandelsportbond. We vonden programma- en wandelboekjes. Hij heeft tig keer de Vierdaagse gelopen, zowel in Apeldoorn als in Nijmegen. Er zat een al veertig jaar niet meer geldig spaarbankboekje in. Waarom zou je zoiets bewaren, vraag ik me af. Waarom zou je überhaupt al die rommel bewaren? We hebben precies kunnen zien hoe zijn salaris zich ontwikkelde, want al zijn salarisstrookjes zaten in dat koffertje. Let wel, zijn salaris in de jaren zestig. Het ging van tweeduizend gulden naar negenduizend gulden per jaar. Alles wat in het koffertje zat, op de foto’s na, betrof de zestiger jaren. Dan vraag ik me natuurlijk meteen af, waar zijn de spullen van de jaren zeventig, tachtig en negentig?

Het leukste in dat koffertje was een brief van een verzekeringsbedrijf. Je raadt nooit waar die over ging. Het betrof een aanrijding met de Porsche van de heer Johan Cruyff. Jawel, die. Zus en ik vroegen ons meteen af waarmee die aanrijding dan gebeurd moest zijn. Onze broer had geen rijbewijs en deed vrijwel alles lopend. Hij zal toch niet pardoes tegen die Porsche aangelopen zijn? Jammer, dat daarover niets in die brief stond. We zullen er nooit achter komen, denk ik, het gebeurde namelijk in 1969.

Zou Johan het nog weten?
.

NAALDEN

.

Een zwager B is jarig vandaag. Niet dat ik zwagers in de A- of B-categorie heb, nee zijn naam begint met een B. Ik barst trouwens van de zwagers. Echtgenoot heeft vijf broers en zelf begon ik met vier zussen. Dan heb je al gauw een aardige roedel zwagers bij elkaar, nietwaar.  Aan beide kanten heb ik een B zwager. Dus. Maar goed, daar wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben.

Dinsdag had ik diabetes controle. Een van de onderwerpen: de naalden. Ik heb bijna twintig jaar gespoten met 12mm naalden. Ik heb namelijk een vrij dikke huid. Letterlijk. Nee, geen olifantshuid, al is die natuurlijk ook behoorlijk dik, gewoon mijn eigen velletje. Die 12mm naalden worden echter niet meer geleverd, dus moet er iets anders worden verzonnen.

“Doe eens voor hoe je spuit.”

Hè? Ik kijk, denk ik, nogal dom.

“Gewoon, doe eens droogspuiten, alle handelingen die je verricht als je echt spuit.”

Oké, dat kan ik. Ik grijp een stuk vel op mijn buik en houd de naaldloze spuit er tegenaan. Ik druk met mijn wijsvinger het knopje in.

“Grappig, dat je dat met je wijsvinger doet, ik heb altijd geleerd mijn duim te gebruiken.”

Dat werkt bij mij niet. Dan zou ik die spuit zo onbehouwen vast moeten houden, dat ik er niet meer mee overweg kan. Gaat hem niet worden, dus. Is verder ook niet belangrijk. Wat wel belangrijk is, dat door het samenknijpen van mijn vel er een extra dikke laag ontstaat waardoor de insuline naar binnen moet. Logisch dat je dan 12mm naalden nodig hebt. Ze legt uit.

“Als je de huid glad trekt, in plaats van dubbel vouwt, dan hoeft de naald niet zo diep en kun je een veel kortere naald gebruiken. De meeste mensen gebruiken een 6mm naald. Met succes.”

Slechts 6 mm? Dat is echt zo kort, gaat vast niet werken. Ik heb zo mijn twijfels en dat ziet ze. En ze begrijpt. Het verschil is natuurlijk groot, maar ze heeft nog een tussenweg, 8mm naalden.

Gisteren zijn we weer naar ons hutje vertrokken (eindelijk een keer met echt mooi weer) met in mijn reistas drie dozen met naalden, 6mm, 8mm en mijn eigen vertrouwde 12mm naalden. Een week doe ik de zes, dan een week de acht. De resultaten houd ik keurig bij op een lijst. Over twee weken houden we dan telefonisch overleg, tenzij het natuurlijk helemaal niet goed gaat met die korte naaldjes. Dan hebben we uiteraard eerder contact. De eerste resultaten zijn echter zeer bemoedigend. Mijn bloedsuikers zijn niet hoger dan anders, ze lijken zelfs een tikkie lager. Maar laat ik niet te vroeg juichen. Ik gebruik ze pas anderhalve dag.

Ik ga maar weer even van de zon genieten. Het is tenslotte niet voor niets mooi weer.

.

REGEN

Australië is een land van uitersten. Of het is er (te) droog waardoor regelmatig bosbranden ontstaan, of het regent er erg hard, waardoor weer overstromingen ontstaan. Er is nauwelijks een tussenweg. Onderstaand nummer zullen we in ons land niet vaak nodig hebben, maar in Australië is het soms een bede tot overleven.