BUITEN DUS

.

Insecten? Ik heb er niks mee en in principe heb ik er ook niets tegen. Dat wil zeggen, zolang ze daar zijn en blijven waar ze horen: buiten. Daar kan ik vol bewondering kijken naar de kunstwerken, gemaakt door spinnen, de prachtige kleuren van sommige kevers en het drukke leven van hele hordes mieren. Ze zullen vast wel ergens nuttig voor zijn en hebben alle recht op leven. Buiten dus. Komen ze mijn huis binnen dan wordt het een heel ander verhaal. Dan verliezen ze, wat mij betreft, elk recht dat ze in eerste instantie hadden.

Echtgenoot is een zeer vredelievend man, moeilijk kwaad te krijgen en van ruzie moet ie al helemaal niets hebben. Maar soms, gelukkig niet zo vaak, komt er een ongekend moordzuchtig wezen in hem naar boven. Ik zal het uitleggen.

Het is donker en we liggen in bed. In het halletje brandt een nachtlampje. Het is hier ’s nachts echt stikdonker en ik zie dan niets. Soms moet ik wel eens mijn bed uit voor een nachtelijk plasje en om dan geen benen of andere onderdelen van mijn lijf te beschadigen, is daar dat nachtlampje. Het grote licht is net vijf minuten uit.

“Mug”, zeg ik.

“Wat?”, zegt echtgenoot verbaasd. Ons hutje is namelijk overal voorzien van horren, juist om dit soort dingen te voorkomen.

“Ik hoor een mug”.

Binnen twee tellen staat echtgenoot naast het bed en is het grote licht weer aan. Zijn blik gaat speurend door de kamer. Niets. Na een paar minuten geeft hij het op. Het licht gaat weer uit en hij kruipt weer in bed. Hè gatver….hij heeft meteen weer een paar ijskoude voeten. Even later…

“Defenitely! Er is een mug.””

Sneller dan de eerste keer staat echtgenoot naast het bed en floept het licht weer aan. Er komen wat minder nette woorden over zijn lippen en hij staart woest in het rond. Deze keer kom ik ook overeind en speur met hem mee. Wederom niets. De muren zijn licht van kleur en je zou toch zeggen dat je een mug dan duidelijk moet kunnen zien. Als hij ergens gaat zitten, natuurlijk. Maar nee, geen mug te zien. Echtgenoot schudt met het dekbed en zwaait met de gordijnen. Nog steeds niets.

“Ik ga maar even plassen”, zeg ik. Als ik terugkom, staat echtgenoot te zwaaien met een krant.

“Mis, verdomme! Ik heb hem gemist.”

“Zag je hem?”, vraag ik onnozel.

“Ja, maar ik miste het kreng.”

Hij was ook meteen weer compleet verdwenen, die mug. Inmiddels pisnijdig, legt echtgenoot de krant op zijn nachtkastje en belooft dat hij net zo lang jacht maakt tot het beest dood is. Ik vind het goed en kruip weer onder de wol. Ik trek het dekbed over mijn hoofd zodat ik het gezoem van het beestje niet kan horen, sluit mijn ogen en zeg welterusten. Vijf minuten later klinkt een enorme vloek. Het beest vond bij mij geen gehoor meer en viel nu echtgenoot lastig. Dat had ie niet moeten doen. Een ferme klap met de krant maakt een einde aan het leven van de mug. Tevreden komt echtgenoot naast me liggen.

“Morgen ruim ik het lijk wel op”, zegt ie. Binnen de kortste keren vallen we in slaap.

Vanochtend heb ik vol bewondering naar de plek op de muur gekeken. Mijn echtgenoot, mijn held, heeft ervoor gezorgd dat wij de rest van de nacht heerlijk hebben geslapen. En die mug? Die speelde met zijn leven vanaf het moment dat ie besloot onze slaapkamer in te vliegen. Ik heb verder niets tegen muggen, zolang ze mijn nachtrust niet verstoren en blijven waar ze horen. Buiten dus.

.

 

OUBOLLIG

.
Als je hier over het park rondwandelt, zie je dat sommige mensen hun huisje of chaletje een naam hebben gegeven. Oubollige namen als “huisje weltevree” of “ons genoegen”, kom je dan tegen. Nou vind ik het geven van een naam aan een huis sowieso al vreemd, maar stel dat het verplicht zou zijn, hè. Dat iedereen een naam voor zijn huis moest bedenken, die naam op een dakpan, plank of weet ik veel waarop, moest schilderen en dit dan aan de gevel moest hangen. Wat voor naam zou je dan bedenken? Zou dat ook zoiets oubolligs worden of zou je echt een pakkende naam weten te verzinnen? Zelf zou ik voor ons hutje gaan voor iets als “plan B” (spreek uit als “plen bie”, of “second best”. Ah, hoor ik jullie nu denken, dan is dit niet echt wat ze wilden dus, dit hutje.

En dat klopt. Een beetje. Eigenlijk wilden we emigreren naar Australië, maar dat was niet zo heel realistisch, want daarvoor is het hebben van geld, heel veel geld, noodzakelijk en op dat punt schieten we dus iets (als in heel veel) te kort. We wisten dus al jaren dat die droom voor altijd een droom zou blijven. En dat is helemaal goed, want zonder dromen wordt het leven een beetje saai. Dan hadden we net zo goed een aantal geraniums voor het raam kunnen zetten en daarachter kunnen gaan zitten. Kijken naar hoe het leven buiten langs glijdt. Daar zijn wij niet echt geschikt voor. Vandaar dat wij dit mooie plekje hebben uitgekozen om zo vaak mogelijk van de natuur te kunnen genieten. Al zou het wel fijn zijn als we wat vaker de Australische temperaturen zouden hebben. Maar hé, een mens kan niet alles hebben.

Hoewel……ervan dromen mag natuurlijk altijd. Toch?

.

TRAPPEN

.

Help! Het is alweer herfst. Kan iemand de tijd even stop zetten? Hij vliegt namelijk voorbij. Nu we regelmatig huis verruilen voor hutje, of hutje voor huis, ’t is maar hoe je het bekijkt, lijkt de tijd nog veel sneller te gaan. Voor je het weet, ben je oud. Wanneer is dat eigenlijk, oud? Volgens mijn denkwijze ben ik nog hartstikke jong, maar mijn lijf doet flinke pogingen om dat tegen te spreken. Maar ik ben aan de winnende hand, want het lopen gaat steeds beter. Ik moet alleen geen onbekende trappen op of af lopen, want dan gaat het razendsnel fout.

Gisteren waren we in het gemeentehuis van Heiloo voor het huwelijk van een nichtje. Er was een levensgrote trap richting de trouwzaal en ik zag de bui al hangen, iedereen boven en ik in mijn eentje beneden. Die trap is er nog steeds natuurlijk, want slopen is geen hobby van me, maar gelukkig was/is er ook een lift, de held van de dag. Vrijdag gingen we naar Almere. Om vanuit de parkeergarage in de winkel te komen waar we moesten zijn, moet je een enorme trap op. Ik heb geen lift gezien. Mijn heup gaf het halverwege al op. Stapje voor stapje, met af en toe een pauze, kwamen we waar we moesten wezen. Ik was kapot. Na onze aankoop, moesten we natuurlijk ook weer terug. Een trap oplopen is al lastig genoeg, maar diezelfde trap weer af is een regelrechte ramp. Heb ik dus ook niet gedaan. Ik ben heel langzaam (niet om echtgenoot de tijd te geven, maar omdat ik gewoon niet sneller kon) naar een plek gelopen waar je met de auto langskomt als je de garage verlaat. Daar heb ik slechts twee minuten, met een heerlijk nog best warm zonnetje op mijn gezicht, hoeven wachten. Toen kon ik instappen en eindelijk zitten. Pfffft, wat een doffe ellende. Trappen zouden verboden moeten worden. Vervelende, niet meewerkende heupen ook.

-

PASSEND

.
Natuurlijk ging het oppassen goed. Onze kleinzoon deed precies wat we wilden: lekker de hele avond wakker blijven, een beetje jengelen en een drijfnatte luier afleveren. De bedoeling was om samen met kleinzoon de kandidaten van de voice te beoordelen, maar hij vond er niks aan. Gek hè? Hoewel ik dat dus één van de leukste programma’s vind, heb ik er eigenlijk maar bar weinig van meegekregen die avond. Kleinzoon eiste alle aandacht en weet je, daar had ik totaal geen problemen mee, al wist ik niet waarom hij nou zo jengelig was. Pas nadat hij een flesje en een schone broek had gehad werd hij stil. Nee, dat klopt niet helemaal. Voor dat zoon en schoondochter van huis gingen op weg naar een trouwfeest, een half uur later dan gepland trouwens, had schoondochter hem nog even snel een lange broek aan gedaan. Klinkt een beetje vreemd voor zo’n klein hummeltje, want een korte broek valt bijna net zo lang, maar het koelde nogal af en zijn beentjes voelden wat fris. Prima idee dan natuurlijk. Echter, vanaf het moment dat hij die broek aankreeg, begon eigenlijk het jengelen. Toen die broek uitging om zijn luier te verschonen was hij meteen stil en verscheen er een grote glimlach op zijn gezicht. Zo van: hèhè, eindelijk, je hebt het begrepen. Ik heb even gekeken, het was een 100% katoenen broekje, maar een maatje 56. Dat ding heeft hem gewoon niet lekker gezeten, was veel te klein. Sorry, manneke, we zijn al zo lang uit de kleine kinderen, dat ik even vergat dat ook baby’s graag goed passende kleding dragen. Ik heb hem met blote beentjes in een slaapzakje gedaan en hij sliep. Zo simpel kan het zijn. Zoon en schoondochter waren al om elf uur weer thuis. Ze hadden het toch wel een beetje eng gevonden om allebei tegelijk niet bij hun zoon te zijn. Ach, voor het eerst je kind uit handen geven is ook best moeilijk.

.

 

UITSLAG EN LEUK

.

Allereerst de uitslag van de autopsie. Sheelah is overleden aan een acute zware longontsteking, waarschijnlijk veroorzaakt door een agressieve bacterie. Hier kan ik dus helemaal niets mee, want die longontsteking was al bekend en waar zou opeens die agressieve bacterie vandaan zijn gekomen? Het enige wat voor mij duidelijk is, is dat ze dood is en dat ik vind dat de dierenarts min of meer gefaald heeft bij haar eerste en tevens laatste onderzoek. Ik wil er echter niet langer over nadenken. Een klacht indienen tegen de dierenarts brengt Sheelah niet terug, het zou alleen maar meer frustraties opleveren.

We zijn nog steeds in ons hutje dat meer en meer op een echt thuis gaat lijken. Ik heb hier nu ook een wasmachine, dus de vuile was kan gewoon hier weggewerkt worden. Toch gaan we a.s. woensdag naar huis. Echtgenoot gaat ’s avonds met een van de zonen naar voetbal. Donderdag komt schoondochter met Bjorn langs en vrijdagavond mogen wij oppassen. Genoeg redenen om een paar dagen naar huis te gaan, dacht ik zo. Het oppassen is wel een klein beetje eng, we zijn al zo lang uit de kleine kinderen, dat het toch wel even vreemd zal zijn. Maar we verheugen ons er zeer op. Stiekem hoop ik dat hij niet de hele avond ligt te slapen, maar gewoon lekker een beetje aan het spoken gaat. Een mooie reden om hem op te pakken en heerlijk te wiegen en een liedje voor hem te zingen. Hoewel…met mijn stem is dat misschien niet zo leuk voor hem. Maar ik kan natuurlijk al wel verhaaltjes verzinnen en vertellen. Daar is mijn stem uitermate geschikt voor.

Zondag willen we dan weer terug naar ons hutje. Eerlijk gezegd, had ik van tevoren eigenlijk niet gedacht dat het ons zo goed zou bevallen, dat we meer hier zijn dan thuis. Het leven hier is echter zo relaxed, we maken ons nergens druk om. Klusjes worden fluitend gedaan en verder is het alleen maar genieten. Wat wil een mens nog meer?

.

AFSCHUWELIJK

.
Het beloofde een mooie dag te worden gisteren. Een strak blauwe lucht en een enthousiast zonnetje. We hadden net koffie gedronken in de serre en ik zei tegen echtgenoot dat ik weer zin had om logjes te lezen en zo links en rechts een reactie achter te laten. Echtgenoot bleef lekker zitten en ik ging naar binnen. Het was vijf over half twaalf.

Ik startte met Rietepietsz en man, wat was daar veel te lezen. Net toen ik klaar was om een reactie te plaatsen, kwam ze naast me zitten, Sheelah, ons andere cavaliertje. Ze voelde zich al een paar dagen niet lekker, wilde de avond ervoor niet eten en had een paar keer gespuugd. Ze keek me aan met grote betraande ogen, een druppel aan haar neus. Haar ademhaling ging schurend en stotend.
“Ach meissie toch, voel je je zo beroerd?” Alsof ze antwoord wilde geven, duwde ze haar snuit tegen mijn hand. Ik liep naar echtgenoot en zei dat ik het een goed plan vond om toch maar even naar de dierenarts te gaan. Hij stond onmiddellijk op, zocht zijn telefoon en het kaartje van de dierenarts. Dat hadden we gekregen toen we er met Stubby heen moesten. Inmiddels was het vijf voor twaalf. De dierenarts zou om twaalf uur stoppen, maar was bereid op ons te wachten.

Ze voelde en luisterde, maar kreeg niet echt duidelijk wat er nu precies aan de hand was. Ze wilde een foto van de longen maken. Prima. Doen. Nu meteen. Ik ben slecht in het begrijpen van wat er te zien is op röntgenfoto’s. Ik zag echter wel dat er iets in de longen zat. De dierenarts wist niet precies wat het was, dus wilde ze ook nog een beetje bloed aftappen. Sheelah, was zo moe van het moeizame ademen dat ze alles goed vond. Van de uitslag van het bloedonderzoek begreep ik ook niet veel, het ene was te hoog en het andere was te laag. Oké, maar wat doen we eraan? Ze schreef tabletjes voor, tweemaal daags een helft van elk tablet. We gaan weer naar huis. Het is één uur.

Echtgenoot gaat een broodje voor ons klaar maken en stopt twee halve tabletjes in een stukje leverworst. Ze wil het niet. Echtgenoot doet haar bek open en duwt het naar binnen. Sheelah slikt en het is weg. Prima, wij gaan eten. Het is half twee.

Ik ben een spelletje aan het spelen als echtgenoot opeens roept: “Ze zakt door haar poten en er komt bloed uit haar neus. Wat is dat nou weer?” Er klinkt paniek door in zijn stem. Hij pakt een stukje keukenrol en veegt haar neusje schoon. Het lijkt te zijn opgehouden. Ik kijk naar Sheelah en zie dat er meer druppeltjes bloed komen. Ik roep dat echtgenoot meteen de dierenarts moet bellen. Dan komt er een golf bloed uit haar bek.

“Oh shit! Wat is dat voor troep die dat mens heeft gegeven?” Ik vloek, iets wat ik niet vaak doe. De stukken keukenrol zijn niet genoeg. Sheelah staat op en wankelt door de kamer. Ze valt en overal laat ze bloedsporen na. Echtgenoot heeft inmiddels de assistente aan de telefoon, die zegt dat Sheelah misschien te veel energie heeft moeten verbruiken bij het krijgen van de medicijnen. Niks energie, het was hap-slik weg. Ze gaat overleggen met de dierenarts en belt zo terug. Het is tien over twee.

Sheelah heeft het moeilijk en probeert bij haar waterbak te komen. Ze valt, ze rochelt en golven bloed komen uit haar neus en bek. Ik voel me compleet machteloos. Wat is dat afschuwelijk om te zien. En ik kan niets doen. Haar lichaam trekt krampachtig samen, ze maakt ongelooflijk nare geluiden. Alsof ze huilt en roept om hulp. Ze voert een echte doodsstrijd. De dierenarts belt terug en snapt er niets van. Hoe kan dit nou opeens. Ja, hallo, jij bent de dierenarts, wij niet. We moeten meteen terugkomen. Dan is het opeens stil. Nog twee keer een stuiptrekking en het is over. Sheelah is dood. Op dat moment belt mijn oudste zoon. Het is kwart over twee.

Ik ben boos, nee, dat is te zwak uitgedrukt. Ik ben kwaad, zo ontzettend kwaad en leg de schuld volledig bij de dierenarts. Die had moeten weten dat het echt niet goed ging, dat het niet zo maar een longontsteking was. Gefrustreerd gooi ik het hele verhaal eruit tegen mijn zoon. Het huilen staat me nader dan het lachen. Wat ik net heb zien gebeuren, was zo verschrikkelijk, zo afschuwelijk, dat hoop ik echt nooit meer mee te maken. Echtgenoot dekt Sheelah toe met een handdoek. Hij brengt haar naar de praktijk.

Om kwart over drie is hij weer terug en zegt dat het waarschijnlijk een longbloeding is geweest. Onmiddellijk gaan we zoeken op internet. Het blijkt dat een longbloeding zomaar kan ontstaan, er valt niets tegen te doen. Oké, misschien was het niet direct de schuld van de dierenarts. Ik word er iets rustiger door. De dierenarts belt en vraagt of ze een autopsie mag doen, want ze wil toch wel heel graag weten hoe het zat. Ja, dat mag, graag zelfs. Wij willen het ook weten.

We begonnen net te wennen aan het gemis van Stubby. We kunnen weer van voor af aan beginnen. De herinnering aan het sterven van Sheelah is echter een stuk minder prettig. Ik krijg dat beeld maar niet uit mijn kop.
.

 

KOOL

.

Kom op, spoor ik mezelf geluidloos aan, je hebt het beloofd, dus moet je het ook doen.

“Ik heb helemaal niets beloofd”, zeg ik hardop, “ik heb gezegd dat ik MISSCHIEN weer een stukje zou schrijven. Misschien, dat is niet hetzelfde als beloofd.”

Oké, maar je wilde het eigenlijk toch al doen, volgens mij, dus….waarom steeds weer uitstellen?

“Ja, nou, dat weet ik ook niet precies hoor. Als ik ’s morgens lapje heb aangezet, doe ik alleen kijken of er mail is en lees ik het nieuws, daarna gaat hij meteen weer uit. Ik denk dat ik gewoon niets te melden heb.”

Niets? Helemaal niets? Daar geloof ik geen barst van. Je zou nu al ik weet niet hoeveel blaadjes kunnen vullen over je kleinzoon of over het verschil in thuis zijn of in je hutje. Dat trouwens ook als thuis voelt. Hoe zei je dat ook al weer? “Home away from home”, ja, dat was het. Er zijn genoeg dingen waar je over kunt schrijven, zelfs het Nederlandse weer is altijd een dankbaar onderwerp. Je hebt nu even het rijk alleen, niemand die je stoort, dus geen smoesjes meer.

Hier zit ik dan. In ons hutje, de zon schijnt regelmatig, maar wordt om de haverklap gestoord door grote grijze en witte wolken. Als je naar de lucht kijkt, lijken die wolken best snel langs te drijven, maar zodra ze voor de zon hangen, verdwijnt al die snelheid. Beetje jammer. Er is de laatste tijd gigantisch veel regen gevallen, genoeg voor een jaar, denk ik. De grond is zo verzadigd, dat elk klein buitje meteen enorme plassen oplevert. Zo, genoeg over het weer.

Onze kleinzoon groeit als kool. Waarom zeggen we dat eigenlijk? Groeit kool zo hard, vraag ik me nu opeens af. Hm, moet ik me toch eens in verdiepen. Hij probeert nu al hele gesprekken met je aan te gaan en kan zomaar van het ene op het andere moment in huilen uitbarsten. Dat duurt nooit langer dan een minuut en ik vermoed dat hij af en toe krampjes heeft. Grappig eigenlijk, bij een baby spreek je over krampjes, bij volwassenen heet het gewoon kramp. Elk mens weet hoe het voelt en begrijpt zonder problemen dat zoiets voor een baby heel pijnlijk kan zijn. Hij heeft inmiddels al bijna twee keer zijn geboortegewicht bereikt. Als hij in dit tempo door groeit, hebben we straks een reuzen kleinkind. Dan spreken we natuurlijk niet meer over een klein-, maar over een grootkind. Gelukkig werkt het niet zo.

We zijn tegenwoordig vaker in ons hutje dan in ons huis en dat bevalt prima. Waarschijnlijk wordt dat in de winter iets anders, hoewel het me prachtig lijkt om hier te zijn als alles bedekt is met een dik pak sneeuw. En dat zeg ik, die een ontzettende hekel heeft aan de winter en de kou en alle narigheid die dat met zich meebrengt. Ik hoef het ook niet te voelen, ik wil het alleen maar zien. Als ik het eenmaal gezien en bewonderd heb, mag de sneeuw weer als sneeuw voor de zon verdwijnen. Moet de zon wel komen natuurlijk.

.