KOMT EEN MAN……

.
“Meneer Jonker?”, klonk de zachte stem van de assistente. Er zaten drie mensen in de wachtkamer van dr. Damen, twee mannen en een vrouw. De vrouw bladerde door een tijdschrift, de ene man zat met gesloten ogen achterovergeleund tegen de muur en de andere man staarde in gedachten verzonken naar buiten.
“Meneer Jonker”, klonk het nu luid en duidelijk. De man bij het raam schrok op. Jonker, dat was hij. Hij stond op.
“U mag naar binnen, meneer Jonker. Deze deur door en dan de tweede deur rechts.”
Alsof hij dat niet wist. Het was echt niet de eerste keer dat hij bij de dokter kwam. Meestal ging het om kleine dingetjes, zoals pijn in zijn rug of een eksteroog. Deze keer echter maakte hij zich een beetje zorgen. Het onderwerp was niet bepaald fris, maar langer uitstellen was niet verstandig, had zijn dochter gezegd. Hij was blij met zijn dochter. Sinds zijn vrouw was overleden had zij min of meer de zorg voor hem op zich genomen. Langzaam liep hij de aangewezen gang in.
Dr. Damen was een wat knorrige man, maar wel met hart voor zijn patiënten. Hij begroette meneer Jonker en vroeg wat hij voor hem kon betekenen vandaag.
“Ja, eh dokter, ik weet niet precies hoe ik het moet zeggen, ik vind het zelf niet zo fris, maar mijn dochter zei, dat ik naar u toe moest, dus hier ben ik dan.”
“Vertelt u het maar, ik ben wel wat gewend, hoor.”
“Ja, ziet u, dokter. Ik heb wat problemen met de stoelgang.”
“Wat voor problemen?”
“Nou eh, de ene keer is het normaal en dan hoef ik alleen maar even door te geven dat de poort openstaat en dan komt het gewoon, zonder dat ik hard moet persen of zo. En dan opeens is het als water of blubber. En dat is niet zo fijn, want als ik niet snel genoeg ben, loopt het meteen langs mijn benen.”
“Ai, dat is zeker niet fijn. Wat voor kleur heeft het?”
“Wat voor kleur? Nou gewoon, een poepkleur.”
Een flauwe glimlach verscheen op het gezicht van de dokter.
“Is het donker of licht gekleurd? Kijkt u nooit naar de eindproductie?”
Meneer Jonker schudde zijn hoofd.
“Nee, tegenwoordig niet meer. Vroeger wel, toen lag het altijd mooi in ’t zicht, maar nu , met die plonspotten van tegenwoordig, zie je amper wat er ligt. Je mag blij zijn als je kont droog blijft.”
“Heeft u ook last van krampen of echt buikpijn? Ik wil even uw buik voelen als dat mag. Achter het gordijn mag u even de broek losmaken en op de brancard gaan liggen, kom ik zo bij u.”
Na het onderzoek knoopte meneer Jonker zijn broek weer dicht en trok de rits omhoog. Hij hield niet zo van dit soort onderzoeken. Hij liep terug naar de stoel en ging zitten. Afwachtend keek hij naar de dokter. Deze schreef wat gegevens op, ouderwets op papier. Later die dag zou de assistente alles op de computer verwerken. Uit een lade van zijn bureau pakte hij een klein plastic potje, voorzien van een dekseltje. Hij overhandigde dit potje aan meneer Jonker.
“Als u van de week nou even een beetje ontlasting inlevert, dan stuur ik dat naar het lab. Dan kijken we daarna weer verder.”
Meneer Jonker staarde naar het klein potje in zijn hand. Hoe moest hij het in godsnaam voor elkaar krijgen om daar zijn behoefte in te doen? Alsof de dokter wist wat meneer Jonker dacht.
“Er is maar een klein beetje nodig. Als u de ontlasting opvangt en daar dan een beetje vanaf haalt en in het potje doet, is het goed.”
“Opvangen? Waarin dan?”
Totaal in de war keek hij de dokter aan.
“In een schaaltje of een pannetje.”
“Oh, dat lijkt me niet zo fris als daar straks de aardappelen weer in gekookt moeten worden.”
Dokter Damen begon inmiddels zijn geduld te verliezen, er zaten nog meer mensen in de wachtkamer.
“Het maakt niet uit waarin u het opvangt. Daarna kunt u hetgeen u gebruikt heeft gewoon weer ontsmetten en voor andere zaken gebruiken. Voor mijn part doet u het gewoon op de grond.”
Dokter Damen stak zijn hand uit. Verbouwereerd nam meneer Jonker die aan.
“Vijf werkdagen na het inleveren van de ontlasting, kunt u bellen voor de uitslag. Dag meneer Jonker.”
Achter hem werd de deur gesloten. Daar stond ie dan, potje in zijn hand. Hoofdschuddend liep meneer Jonker naar buiten. Na een wandeling van een kwartier was hij thuis. Al die tijd had hij het potje in zijn hand gehouden. In de woonkamer opende hij de lade onderaan de boekenkast. Het potje kreeg een plaatsje tussen elastiekjes, punaises en ander klein spul. Met een zucht schoof hij het laatje weer dicht. Ja zeg, hij ging daar een beetje op de grond zitten poepen.
.

Advertenties

CONTACT

.
Wat een rust hier, hè? Ach, dat kan wel eens gebeuren op een weblog. Het dagelijks leven is verder druk genoeg. We gaan van hot naar her, vieren tussendoor wat verjaardagen en genieten regelmatig van de natuur en de temperatuur. Om hier de stilte even te doorbreken, plaats ik vandaag een limerick.

Een mens uit de Verenigde Staten
Houdt daag’lijks mijn blog in de gaten
Wat verwacht hij te zien?
Weet u dat misschien?
Waarom komt hij niet eventjes praten?

Is hij mij aan het bespioneren?
Of wil hij slechts Nederlands leren?
Ach, het is een manier
Hij daar en ik hier
Straks gaan we nog corresponderen.

In welke taal dat zal gaan dan
Daar heb ik nog geen idee van
In English or Dutch
I don’t care so much
Het woordenboek helps me out, man.
.

LAAT / VROEG

.
Zaterdagochtend. Geheel tegen de regels in word ik pas laat wakker. Dat wil zeggen, ik vind het laat. Een ander zou het misschien vroeg vinden. Die regels heb ik trouwens zelf ingesteld en gelden uitsluitend voor mijzelf. Het liefst kom ik zo rond zeven uur mijn bed uit, dat vind ik prettig, omdat ik dan op zijn wakkerst ben. Grappig woord trouwens, wakkerst. Vanochtend was het bijna een uur later en meestal betekent dat een duffe dag. Ik houd niet van duffe dagen met het gevoel dat je al moe bent als je uit je bed stapt. Nou klinkt dat “uit je bed stappen” als een redelijk vlot gebeuren. Dat is het natuurlijk niet. Eerst gooi ik het dekbed van me af, blijf nog twee tellen liggen en hijs mezelf dan overeind om op de rand van het bed even bij te komen van de nacht. Niet dat ik ’s nachts rare dingen doe, maar zo’n hele nacht liggen kan ook zeer vermoeiend zijn. Dus. Mijn voeten schuiven vanzelf in de sloffen en langzaam kom ik overeind. Niet te snel, anders stort ik meteen weer om. Afhankelijk van de hoeveelheid urine die zich in mijn blaas verzameld heeft, schuifel of loop ik richting toilet. Pas na mijn eerste bak koffie voel ik me weer een beetje mens. Als dat proces een uur later dan normaal plaats vindt, duurt het allemaal wat langer. Mijn hoofd is er dan niet helemaal bij en ik moet echt tegen mezelf zeggen wat de volgende stap is.

Vanochtend was ik dus laat. Alles is daardoor laat. Het ontbijt is laat en de halverwegedeochtendkoffie is laat. Buitengewoon vervelend op een zaterdag. Maar wacht eens even. Het mag dan zaterdag zijn, we hebben gisteren al de weekendboodschappen gedaan, dus ik hoef me verder voor niets of niemand te haasten. Is trouwens een woord waar ik een hekel aan heb, haasten. Als ik me moet haasten, gaat er altijd wel iets fout. Ik kan op mijn dooie gemak (wat betekent dat eigenlijk, dooie gemak?) logjes lezen, liedjes luisteren en de krant doorwerken. Die volgorde klopt niet helemaal, want ik begin altijd met de krant. Maar, kniesoor.

Zo langzamerhand kom ik weer een beetje bij de mensen, heb zelfs een wasmachine gevuld en aangezet. Rustig aan, Neel, niet overdrijven. Overdrijven? Alsof ik dat ooit doe! Ik zit nu toch zeker rustig bij mijn lapje een stukje te tikken? Heb ook al mijn eerste rondje spelletjes achter de rug. Eigenlijk ben ik geestelijk dus best actief bezig. Alleen geestelijk hoor, mijn billen hebben zich stevig genesteld in mijn stoel en zijn niet van plan daar snel weer uit te komen. Misschien ga ik nog wel een spelletje spelen, of reageren bij andere logjes, maar mijn stoel kom ik voorlopig nog niet uit. Soms is het best wel fijn om laat op te staan. Lekker rustig aan het weekend beginnen. Dat slaat natuurlijk nergens op. Als je eenmaal 65+ bent, heb je eigenlijk altijd weekend.
.

WALGELIJK

.
Normaalgesproken heb ik het niet zo op dierenpartijen af activisten, ik vind ze vaak nogal overdreven en ver gaan in hun acties. Maar nu vind ik dat er op een of andere manier iets gedaan moet worden. Er staat een filmpje op internet, dat ik het liefst verwijderd zie worden.

Een hamerhaai wordt door een man bij de staart gegrepen en het strand opgetrokken. Het dier probeert uit alle macht los te komen, helaas zonder succes. Uit pure paniek bevalt ze op het strand van een aantal kleintjes. Denk maar niet dat de mensen daar op het strand iets van medeleven voor voelen. Nee, integendeel. Als het beest eindelijk los is en probeert weg te zwemmen, wordt ze meteen weer bij de staart gegrepen en terug getrokken. De kleintjes kronkelen hulpeloos op het strand, een omstander probeert er een te pakken. Tientallen mensen staan er omheen, maar niemand die ingrijpt en het beest de kans geeft terug te gaan naar zee. Er wordt wel druk gefilmd. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat dit ongestraft kan gebeuren?

Ik vind dit het meest walgelijke en afschuwelijkste filmpje dat ik ooit gezien heb. Hierbij roep ik alle goedwillende dierenliefhebbers op om enige vorm van actie te ondernemen. Schrijf erover, praat erover, spreek er schande van. Doe iets!
.

GEWOON NORMAAL

.
“Goeiemorgen, goed geslapen?”
“Als een blok!”
“Onweer nog gehoord?”
“Nee, heeft het geonweerd dan?”
“Behoorlijk.”
“Nou ja, je weet, als ik eenmaal slaap kun je een kanon naast me afschieten.”
Hier stopt het gesprek en gaan mijn gedachten op de loop.
Nee, dat kun je helemaal niet, want je hebt geen kanon. Trouwens, al zou je het wel kunnen, ik heb toch liever niet dat je het doet. Het geeft zo’n ontiegelijke rommel namelijk. Bovendien is de kans dat ik dat kanonschot niet overleef levensgroot aanwezig. Levensgroot? Wat een raar woord eigenlijk in dit verband. Het resultaat lijkt in niets op leven. Eigenlijk zou je doodsgroot moeten zeggen, maar dat woord kennen we helemaal niet. Wat op zich wel vreemd is natuurlijk, als je er goed over nadenkt. Het klinkt ook best wel gek, het is net alsof je dood schroot zegt. Is schroot niet altijd dood? Heeft er in schroot überhaupt ooit leven gezeten? Schroot is toch gewoon afval van oud ijzer en zo? En wat is dat en zo dan?
Waarom wordt het woord kans eigenlijk gebruikt bij de mogelijkheid van een negatieve afloop? Een kans ergens op is toch altijd positief? Of zie ik dat verkeerd? Wordt er niet altijd geroepen dat je de kans moet grijpen als die zich voordoet? Hoe doe je dat dan, een kans grijpen? Is een kans tastbaar en hoe weet je dat het een kans is? Kun je een kans wel zien en hoe ziet die er dan uit? Is ie rond, vierkant, abstract? Ik zou het eerlijk gezegd, niet weten. Dus waar grijp je dan naar? Oh wacht, misschien moet je die kans wel bij zijn lurven grijpen. Als je weet waar die zitten natuurlijk. Lurven, nog zo’n raar woord, waarvan niemand precies weet wat het is. Of zijn. Grijpen heeft dan toch weer een negatieve klank, vind ik. Gewoon pakken, dat klinkt een stuk rustiger. Maar pakken worden weer gedragen door mannen. Soms door vrouwen. Die pak je niet zomaar, toch. Een pak pakken. Das iets heel anders als een kans of lurven grijpen.
Allemachtig Neel, wat ben je weer raar bezig. Zet die kronkel in je hersens eens recht, dit is toch door niemand te volgen. Kun je meteen van de gelegenheid gebruik maken om een gewoon normaal stukje schrijven.
Wat is dat dan eigenlijk, gewoon normaal?
.

OMSCHAKELEN

Er moesten boodschappen worden gedaan en daarvoor moeten we nog steeds de deur uit. Hoewel je tegenwoordig ook alles wat je nodig hebt via het www kunt bestellen en thuis laten bezorgen. Maar dan is het enige sociale contact wat je hebt slechts een “goedemorgen” en “dankjewel” naar de koerier. Eenzaam bestaan lijkt me. We gaan dus de deur uit zoals we de laatste weken elke dag hebben kunnen doen, zonder jas en luchtig gekleed. Luchtig gekleed kan makkelijk in huis, want daar blijft de warmte hangen en is het nog steeds 26 graden. Buiten niet meer. De auto gaf een buitentemperatuur van slechts 17 graden. Wat een schril contrast met een paar dagen geleden. Zelfs gisteren haalden we in de tuin nog de 30 graden, maar dat gaat vandaag niet lukken. Bibberend stapte ik de auto in. En dan kom je in de supermarkt. In de zomer een heerlijke plek om even af te koelen, maar zodra buiten de temperaturen dalen, lijkt het daar binnen meteen extra koud te worden. Ik houd echt meer van warmte dan van kou, kan er niets aan doen. Ik las net informatie bij de buienradar over hittegolven in de afgelopen tig jaar. In mijn geboortejaar waren er vier! Ik ben dus vanaf het begin aan behoorlijke warmte gewend. Mijn lijf was door de plotselinge daling van temperatuur behoorlijk van slag en in een razendsnel tempo gingen we de winkel door en toen snel weer naar huis.
Een bak koffie doet wonderen en binnen de kortste keren warmde ik weer een beetje op. Het is met het weer ook altijd hollen of stilstaan, van het ene uiterste in het andere. Zo snel omschakelen iedere keer gaat me niet zo goed af. Van extreem warm is langzaam afbouwen naar wat mindere temperaturen het beste. Niet alleen voor mij, denk ik. Naar alle waarschijnlijkheid zijn er nog veel meer mensen die daar problemen mee hebben. Het lijf pikt het gewoon niet en komt met een soort afweermechanisme. Het voelt alsof je ziek bent, met het ene moment de bibbers en het volgende moment druipende zweetdruppels. Klinkt niet aangenaam. Is het ook niet.
.

POST / MAIL

.
Post krijgen is altijd leuk. Correctie: bijna altijd. Blauwe enveloppen vind ik een stuk minder en ook rouwenveloppen zie ik niet graag komen. Een handgeschreven brief of kaartje echter, vindt een warm welkom bij mij. Kaartjes krijg ik regelmatig en die staan dan ook overal in de kamer te pronken. Op mijn bureau, op de kachel en op de salontafel. Dat vind ik echt leuk en gezellig staan. Ik kan me echter met geen mogelijkheid herinneren wanneer ik voor het laatst een handgeschreven brief heb gekregen. Dan moet ik eerlijkheidshalve ook vertellen dat ik zelf ook al in geen jaren een brief heb geschreven. Het is tegenwoordig allemaal zo makkelijk met de vele mogelijkheden van berichten verzenden. Via de telefoon, via het chatboard bij de nodige spelletjes of via facebook, hyves of twitter. Die laatste drie worden door mij niet gebruikt, dat is me allemaal te vluchtig en te openbaar.
Wil je iets meer vertellen dan is daar natuurlijk e-mail. Je kan daar je bericht net zo lang maken als je zelf wilt en het mooie is dat als je op de verzendknop drukt, het bericht vrijwel meteen bij de ontvanger binnenkomt. Toch? Ja toch? Eh nee, niet altijd.
Vandaag riep mijn mailbox twee maal dat ik een nieuw mailbericht had. Maar twee maal kwam er niks binnen. Echtgenoot heeft een testmail gestuurd vanaf zijn i-pad. Dat bericht heeft er dertien minuten over gedaan om van de bank op mijn bureau terecht te komen. Dertien minuten om slechts drie meter te overbruggen! Een beetje vreemd is dat wel natuurlijk. Waar zouden de eerder beloofde mails dan wel niet vandaan moeten komen, vraag ik me af. Het is inmiddels respectievelijk acht en vijf uur geleden dat ze werden aangekondigd. Een rot end reizen door cyberspace vermoed ik. In zo’n onmetelijke ruimte is het vrij makkelijk verdwalen lijkt mij, dus wie weet waar ze terecht zijn gekomen. Ergens in verweggistan zit nu misschien wel iemand te staren naar een mail waar hij geen wijs uit kan, geschreven in een voor hem onbegrijpelijke taal.
Daar kan ik verder helemaal niks mee. Ik blijf alleen zitten met de vraag wie mij vandaag mail gestuurd heeft. Wordt daar een antwoord op verwacht? Hoe kom ik daar achter? Is er ergens een computer waar je zoekgeraakte mail op kunt vragen? Iemand enig idee?
.