SLIM(MER)

.
Heb ik al eens gezegd dat we ontzettend blij zijn met ons hutje? Ja hè? Dat klopt nog steeds. Eigenlijk zouden we vandaag naar huis gaan, maar opeens bleek het mooi weer te zijn, dus blijven we nog een nachtje. En dat komt goed uit, want we have a fight on our hands. Ik kan jullie bijna horen denken: vechten? Met wie dan? Zit je?

We gaan het gevecht aan met muizen. Schattige kleine beestjes, die helemaal in de natuur thuis horen. Daar hebben wij ook geen enkele moeite mee. Dat weet je nou eenmaal als je besluit een hutje aan te schaffen dat midden in bos- en heidegebied staat. Het zijn alleen buitengewoon brutale muizen, die het als hun goed recht zien om af en toe op bezoek te komen in de serre. Bij voorkeur ’s nachts. Dan is het lekker rustig voor ze en worden ze niet gestoord door steeds in en uit lopende mensen. Logisch toch? Ja, klopt. Maar waarom laten ze ons dan zien dat ze zijn geweest, door het achterlaten van kleine keuteltjes? Op de stoelen en de bank nota bene. Hoe komen ze daar boven op, vraag ik me af, want de gladde stalen poten maken het ze, denk ik toch niet makkelijk. Ik had boven dit stukje net zo goed “buiten dus 2” kunnen zetten, want het liefst heb ik dat ze buiten blijven. Maar we hebben een trucje bedacht.

Om te voorkomen dat de dakgoot iedere keer verstopt raakt met afgevallen bladeren, hebben we, of eigenlijk heeft echtgenoot, daar gaas in aangebracht. Op zo’n rol gaas zit natuurlijk veel meer dan nodig is en dat komt nu goed van pas. Op de plekken waarvan wij denken dat ze binnen komen, hebben we, nee, heeft echtgenoot, driedubbel gevouwen stukken gaas aangebracht. Eerst alleen in de hoeken, maar vanochtend bleek dat dat niet voldoende was. Op de een of andere manier werken ze zich via het zand onder het terras naar boven en komen dan precies onder het randje naar buiten. Dat was vanochtend duidelijk te zien, overal zag je kleine muizenpootjesafdrukken staan. Slimme beestjes dus, die het gaas wisten te omzeilen. Maar hé, is een mens niet slimmer dan een muis? Ja, toch zeker?

Omdat we toch een extra dagje blijven, heeft echtgenoot vanochtend de tijd gehad om de gehele rand van gaas te voorzien. Eens kijken wat er nu gebeurt. Morgenochtend zullen we het weten.

Wie is er slimmer, de mens of de muis?
.

BUITEN DUS

.

Insecten? Ik heb er niks mee en in principe heb ik er ook niets tegen. Dat wil zeggen, zolang ze daar zijn en blijven waar ze horen: buiten. Daar kan ik vol bewondering kijken naar de kunstwerken, gemaakt door spinnen, de prachtige kleuren van sommige kevers en het drukke leven van hele hordes mieren. Ze zullen vast wel ergens nuttig voor zijn en hebben alle recht op leven. Buiten dus. Komen ze mijn huis binnen dan wordt het een heel ander verhaal. Dan verliezen ze, wat mij betreft, elk recht dat ze in eerste instantie hadden.

Echtgenoot is een zeer vredelievend man, moeilijk kwaad te krijgen en van ruzie moet ie al helemaal niets hebben. Maar soms, gelukkig niet zo vaak, komt er een ongekend moordzuchtig wezen in hem naar boven. Ik zal het uitleggen.

Het is donker en we liggen in bed. In het halletje brandt een nachtlampje. Het is hier ’s nachts echt stikdonker en ik zie dan niets. Soms moet ik wel eens mijn bed uit voor een nachtelijk plasje en om dan geen benen of andere onderdelen van mijn lijf te beschadigen, is daar dat nachtlampje. Het grote licht is net vijf minuten uit.

“Mug”, zeg ik.

“Wat?”, zegt echtgenoot verbaasd. Ons hutje is namelijk overal voorzien van horren, juist om dit soort dingen te voorkomen.

“Ik hoor een mug”.

Binnen twee tellen staat echtgenoot naast het bed en is het grote licht weer aan. Zijn blik gaat speurend door de kamer. Niets. Na een paar minuten geeft hij het op. Het licht gaat weer uit en hij kruipt weer in bed. Hè gatver….hij heeft meteen weer een paar ijskoude voeten. Even later…

“Defenitely! Er is een mug.””

Sneller dan de eerste keer staat echtgenoot naast het bed en floept het licht weer aan. Er komen wat minder nette woorden over zijn lippen en hij staart woest in het rond. Deze keer kom ik ook overeind en speur met hem mee. Wederom niets. De muren zijn licht van kleur en je zou toch zeggen dat je een mug dan duidelijk moet kunnen zien. Als hij ergens gaat zitten, natuurlijk. Maar nee, geen mug te zien. Echtgenoot schudt met het dekbed en zwaait met de gordijnen. Nog steeds niets.

“Ik ga maar even plassen”, zeg ik. Als ik terugkom, staat echtgenoot te zwaaien met een krant.

“Mis, verdomme! Ik heb hem gemist.”

“Zag je hem?”, vraag ik onnozel.

“Ja, maar ik miste het kreng.”

Hij was ook meteen weer compleet verdwenen, die mug. Inmiddels pisnijdig, legt echtgenoot de krant op zijn nachtkastje en belooft dat hij net zo lang jacht maakt tot het beest dood is. Ik vind het goed en kruip weer onder de wol. Ik trek het dekbed over mijn hoofd zodat ik het gezoem van het beestje niet kan horen, sluit mijn ogen en zeg welterusten. Vijf minuten later klinkt een enorme vloek. Het beest vond bij mij geen gehoor meer en viel nu echtgenoot lastig. Dat had ie niet moeten doen. Een ferme klap met de krant maakt een einde aan het leven van de mug. Tevreden komt echtgenoot naast me liggen.

“Morgen ruim ik het lijk wel op”, zegt ie. Binnen de kortste keren vallen we in slaap.

Vanochtend heb ik vol bewondering naar de plek op de muur gekeken. Mijn echtgenoot, mijn held, heeft ervoor gezorgd dat wij de rest van de nacht heerlijk hebben geslapen. En die mug? Die speelde met zijn leven vanaf het moment dat ie besloot onze slaapkamer in te vliegen. Ik heb verder niets tegen muggen, zolang ze mijn nachtrust niet verstoren en blijven waar ze horen. Buiten dus.

.

 

OUBOLLIG

.
Als je hier over het park rondwandelt, zie je dat sommige mensen hun huisje of chaletje een naam hebben gegeven. Oubollige namen als “huisje weltevree” of “ons genoegen”, kom je dan tegen. Nou vind ik het geven van een naam aan een huis sowieso al vreemd, maar stel dat het verplicht zou zijn, hè. Dat iedereen een naam voor zijn huis moest bedenken, die naam op een dakpan, plank of weet ik veel waarop, moest schilderen en dit dan aan de gevel moest hangen. Wat voor naam zou je dan bedenken? Zou dat ook zoiets oubolligs worden of zou je echt een pakkende naam weten te verzinnen? Zelf zou ik voor ons hutje gaan voor iets als “plan B” (spreek uit als “plen bie”, of “second best”. Ah, hoor ik jullie nu denken, dan is dit niet echt wat ze wilden dus, dit hutje.

En dat klopt. Een beetje. Eigenlijk wilden we emigreren naar Australië, maar dat was niet zo heel realistisch, want daarvoor is het hebben van geld, heel veel geld, noodzakelijk en op dat punt schieten we dus iets (als in heel veel) te kort. We wisten dus al jaren dat die droom voor altijd een droom zou blijven. En dat is helemaal goed, want zonder dromen wordt het leven een beetje saai. Dan hadden we net zo goed een aantal geraniums voor het raam kunnen zetten en daarachter kunnen gaan zitten. Kijken naar hoe het leven buiten langs glijdt. Daar zijn wij niet echt geschikt voor. Vandaar dat wij dit mooie plekje hebben uitgekozen om zo vaak mogelijk van de natuur te kunnen genieten. Al zou het wel fijn zijn als we wat vaker de Australische temperaturen zouden hebben. Maar hé, een mens kan niet alles hebben.

Hoewel……ervan dromen mag natuurlijk altijd. Toch?

.

TRAPPEN

.

Help! Het is alweer herfst. Kan iemand de tijd even stop zetten? Hij vliegt namelijk voorbij. Nu we regelmatig huis verruilen voor hutje, of hutje voor huis, ’t is maar hoe je het bekijkt, lijkt de tijd nog veel sneller te gaan. Voor je het weet, ben je oud. Wanneer is dat eigenlijk, oud? Volgens mijn denkwijze ben ik nog hartstikke jong, maar mijn lijf doet flinke pogingen om dat tegen te spreken. Maar ik ben aan de winnende hand, want het lopen gaat steeds beter. Ik moet alleen geen onbekende trappen op of af lopen, want dan gaat het razendsnel fout.

Gisteren waren we in het gemeentehuis van Heiloo voor het huwelijk van een nichtje. Er was een levensgrote trap richting de trouwzaal en ik zag de bui al hangen, iedereen boven en ik in mijn eentje beneden. Die trap is er nog steeds natuurlijk, want slopen is geen hobby van me, maar gelukkig was/is er ook een lift, de held van de dag. Vrijdag gingen we naar Almere. Om vanuit de parkeergarage in de winkel te komen waar we moesten zijn, moet je een enorme trap op. Ik heb geen lift gezien. Mijn heup gaf het halverwege al op. Stapje voor stapje, met af en toe een pauze, kwamen we waar we moesten wezen. Ik was kapot. Na onze aankoop, moesten we natuurlijk ook weer terug. Een trap oplopen is al lastig genoeg, maar diezelfde trap weer af is een regelrechte ramp. Heb ik dus ook niet gedaan. Ik ben heel langzaam (niet om echtgenoot de tijd te geven, maar omdat ik gewoon niet sneller kon) naar een plek gelopen waar je met de auto langskomt als je de garage verlaat. Daar heb ik slechts twee minuten, met een heerlijk nog best warm zonnetje op mijn gezicht, hoeven wachten. Toen kon ik instappen en eindelijk zitten. Pfffft, wat een doffe ellende. Trappen zouden verboden moeten worden. Vervelende, niet meewerkende heupen ook.