THE LUCKY ONE

.

Oké, de scan is geweest en de eerste afspraken voor de bestralingen heb ik binnen. Ik begin op 1 maart en ben er dan de hele maand zoet mee. Als alles naar wens verloopt ben ik daarna klaar en mag ik in mei terug naar het ziekenhuis voor een controle. Punt. Meer wil ik niet.

Dat een mens niet altijd iets te willen heeft, blijkt uit het volgende. Min of meer tegelijkertijd met het begin van de heisa rond mijn borst, werd er bij mijn buurvrouw ook iets dergelijks geconstateerd. Maar bij haar was het al een stadium verder en werd het gevondene echt kanker genoemd. Met als gevolg dat zij nu al aan haar derde rit van de chemo zit. Voorlopig is ze daar nog wel even mee bezig, pas daarna wordt besloten over een operatie en bestraling. Voor haar is dit absoluut geen fijne tijd, want haar prachtige dikke haar valt uit en ze voelt zich behoorlijk beroerd van die gore troep die ze binnen krijgt. Bovendien leeft ze toch ook in onzekerheid, want…wat als de chemo niet aanslaat? En mag / kan ze haar borst behouden? Komt haar haar weer net zo mooi terug als het was? Allemaal vragen die nu nog niet met zekerheid kunnen worden beantwoord.

Dan is er nog een buurman aan de andere kant die, eveneens rond die zelfde tijd, werd geconfronteerd met een vrij bijzondere vorm van kanker aan de dunne darm. Ook hij is het komende half jaar bezig met chemo kuren en ook hij leeft in onzekerheid.

Ik kan dus nu wel roepen dat ik niets meer wil, maar ook ik heb niets te willen. Voorlopig is wat mij overkwam een stuk minder erg, dan wat mijn beide buren overkwam. Ik woon precies tussen hen in en voel me min of meer, ja, ik weet eigenlijk niet hoe ik het moet omschrijven. Schuldig is niet het juiste woord, want ik kan er natuurlijk niets aan doen dat het bij mij redelijk goed uitpakte. Onbehaaglijk is misschien een beter woord, maar van ons drieën voel ik me toch zeker the lucky one.

.

WAT VOLGT

.

Jullie hebben allemaal eersteklas duimen. Hoe ik dat weet? Wel, de uitslag was helemaal goed. GEEN kanker. Slechts een voorstadium. Hoe mooi kun je het hebben?

“Nu alleen nog de bestralingen en dat kan je de kop niet kosten”, aldus de chirurg.

“Daar was ik ook niet van uit gegaan. Een borst ja, daar had ik eventueel rekening mee gehouden, maar mijn kop? Nee, die had ik niet ingecalculeerd.”

Even kijkt hij me aan, maar moet dan toch lachen. Hij geeft me een hand en zegt dat ik over drie maanden terug mag komen voor controle. Mooi, dat is geregeld.

Afgelopen maandag was de eerste afspraak voor de radiotherapie. Nee, dat heeft niets te maken met allerlei programma’s op de radio, maar alles met bestralen. De afspraak was in het ziekenhuis in Almere. De arts heeft me uitgelegd waarom er bestraald zou worden, want ik had stiekem toch wel wat twijfels over de noodzakelijkheid. Juist bij een voorstadium van kanker is het belangrijk dat er bestraald wordt, omdat, als er eenmaal onrustige cellen in een borst aanwezig zijn (geweest), is de kans groot dat dat weer gebeurt of op andere plekken al bezig is. De hele borst wordt dus aangepakt. Ze heeft me van alles uitgelegd en daarna zou ik nog meer voorlichting krijgen van iemand die precies wist wat ze met me gingen doen.

Deze dame vertelde o.a. het volgende. Omdat het gaat om de linkerborst en het hart daar ook in de buurt ligt, moest ik leren mijn adem regelmatig in te houden, zodat het hart wat werd weg geduwd en niet geraakt zou worden door de bestraling. Oké, dat kan ik oefenen, dacht ik in mijn onschuld. Tot er op een gegeven moment allerlei dingen op tafel kwamen, waarvan het de bedoeling was dat ik iets daarvan in mijn mond zou stoppen, er een knijper op mijn neus zou komen en ik op een scherm moest kijken, omdat ik steeds dezelfde hoeveelheid lucht moest inademen en vasthouden. Ik voelde een lichte paniek opkomen en het zweet brak me uit bij de gedachte alleen al.

“Sorry, maar dat gaat niet gebeuren. Als dat echt zou moeten, zou dat voor mij een reden zijn om van die hele bestralingstoestand af te zien.”

Ze keek me aan, zag dat ik het er echt moeilijk mee had en zei toen dat het ook zonder kon. Vroeger deden ze het altijd zonder, maar omdat de kans op problemen met het hart zouden kunnen ontstaan zo’n vijftien à twintig jaar na de bestralingen, deden ze het tegenwoordig met die hulpmiddelen. Vijftien à twintig jaar? Hou op zeg, dan ben ik 88, tegen die tijd maakt het me echt niets meer uit.

“Geen probleem”, zei ze, “U bent de baas en u bepaalt wat wel en niet kan.”
Een zucht van verlichting ontsnapte aan mijn lippen en ik hoopte van harte dat dat waar was.

Voor de bestralingen kunnen beginnen, moet er eerst nog een ct scan gemaakt worden om de exacte stand van het bestralingsapparaat te bepalen, want die moet elke keer hetzelfde zijn. Bij die scan wordt mijn bovenlijf in plakjes gesneden. Zo’n beetje als een illusionist die een mooie dame in tweeën zaagt, maar dan anders. In beide gevallen staat de dame weer springlevend op. Hoop ik. Na acht tot tien dagen wordt dan begonnen met bestralen. Ik heb dus nog het één en ander om naar uit te kijken.

.

VAN PRIKKEN EN SNIJDEN

.

Allereerst mijn dank aan allen die voor mij hebben geduimd en/of aan me hebben gedacht. Het heeft geholpen, want het is me reuze meegevallen. Het wachten was nog het ergste. Ik weet niet wat het is, maar ik kan er gewoon niet zo goed mee omgaan, word er ongedurig van en soms zelfs een beetje balorig. Ik krijg dan de neiging om gekke dingen te doen, maar ja, in een ziekenhuis kan dat natuurlijk niet.
Omdat ik diabeet ben, kreeg ik meteen een infuus. Jemig wat een feest. Mijn aders liggen diep, dus was het lastig iets te vinden waar de naald in kon. Het ging dan ook fout en mijn eerste pleister was een feit. Iemand anders moest het maar proberen. De tweede zuster was een expert werd me verzekerd. Ze hadden gelijk.
Na twee uur wachten mocht ik eindelijk naar de röntgenafdeling. Er zou een draadje ingebracht worden, dat voor de chirurg duidelijk moest maken waar hij moest zijn. Ik was daar huiverig voor, want verwachtte dat ik in de zelfde houding moest als voor het biopt. De arts die de handeling zou verrichten bleek degene die met graagte de hapjes had genomen. Omdat hij geen herhaling wilde van de vorige keer, ging hij het nu anders doen en wel in een voor hem vrij lastige houding. Beter hij dan ik. En hij deed het perfect. Hoewel ik het niet echt aardig vond klinken, zei hij na afloop, dat hij me nooit meer wilde zien. Met een grote glimlach gaf hij me een hand. Eerst nog twee controle foto’s en ik mocht terug naar de afdeling.
Uiteindelijk, na in totaal vier uur wachten, werd ik richting operatiekamer gebracht. Voor de tiende keer die dag werden mijn gegevens gecontroleerd. Deze keer door een anesthesist. Mijn bloedsuiker werd gecontroleerd, die was 7.0 en er werd besloten het infuus af te sluiten. Om half vier ging ik eindelijk de operatiekamer in.
Erg gezellig daar, er liepen wel zes mensen rond. Iedereen wilde me een hand geven en zijn naam noemen. Alsof ik dat later nog zou weten. Een donkere dame stelde zich voor als de anesthesist. Alweer een ander. Ze begon over het lastig intuberen en zei: “Doe uw mond eens wijd open.” Ze keek twee tellen en zei: “Ik snap het.” Oh, oké, ik niet, vertel… Maar nee. De chirurg kwam met een big smile de kamer binnen en vroeg of ik er zin in had. Nou, dat was niet het woord dat ik er voor gekozen zou hebben. Ik kreeg een kapje met zuurstof over mijn mond en neus.
“De narcose gaat deze keer via het infuus.”
En dat voelde ik.
“Mijn hand staat in de fik”. Zo voelde het echt. Hij vroeg nog of het beter ging, maar ik was al helemaal van de wereld.
Een uur later begon ik wakker te worden. Ik was compleet uitgedroogd. Een verpleegster kwam vragen hoe ik me voelde. “Droge mond”, fluisterde ik. Ik kreeg slechts één klein slokje water. Anders werd ik misschien misselijk. Help, ik ben niet misselijk, ik ben uitgedroogd, drinken, geef me alsjeblieft drinken. Maar ik kreeg niets. Even later werd ik opgehaald en naar de afdeling gebracht. Ik werd al wakkerder en ik barstte inmiddels van de honger en dorst. Het duurde even, eerst moest ik zeggen of en hoeveel pijn ik had. Op een schaal van 1 tot 10. Een schamel tweetje gaf ik de pijn. Ze vonden me maar vreemd, zo snel bij de les na de narcose, niet misselijk en nauwelijks pijn. En dat terwijl een vrouw, die een uur voor mij was geopereerd, nog steeds op apegapen lag. Uiteindelijk kreeg ik een kan water, twee boterhammen en een beker thee. Meteen zeggen als u misselijk wordt. Ik werd niet misselijk en het was niet genoeg, ik wilde meer. Nou vooruit, nog twee beschuitjes dan. Ik begon me weer mens te voelen. Echtgenoot was gebeld en kwam binnen nadat ik de beschuitjes net op had. Inmiddels had ik vier glazen water en twee bekers thee gedronken en nog voelde het alsof het niet genoeg was. Ik zat nog steeds vast aan een infuus, maar wilde eigenlijk meteen naar huis. Het infuus mocht er niet af zo kort na de operatie. Hoe kan ik dan naar huis? Samen met echtgenoot heb ik twee rondjes door de gangen van de afdeling gelopen. Geen probleem. Echtgenoot ging nogmaals vragen of ik naar huis mocht. Nou, ze dacht van niet, maar zou overleggen met de dienstdoende chirurg. Geen idee wie dat was, maar ik vond hem meteen aardig, want hij gaf toestemming op voorwaarde dat bloeddruk e.d. gecontroleerd werden en goed bevonden. Duhhuh, natuurlijk was alles goed. En toen mocht opeens wel het infuus eraf. Ik moest nog wel een prik tegen trombose. Oké, kom maar op.
Gauw aankleden en weg wezen, voor ze zich zouden bedenken. Om 9uur was ik thuis en voelde me prima. Geloof het of niet, maar de meeste last heb ik gehad van de tromboseprik, waarschijnlijk een spiertje geraakt. Nu is het afwachten tot komende vrijdag, dan mag ik op controle en krijg ik de uitslag. Al ben ik nu snel moe, ik voel me verder kiplekker. En mijn borst? Die is bijna tweemaal zo groot in plaats van gehalveerd. Al zal dat waarschijnlijk niet blijvend zijn.

.